Pensioenstelsel
In Nederland bestaat het pensioenstelsel uit drie pijlers. Overheid, sociale partners en burgers hebben daarin ieder hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Ten eerste is er het AOW-pensioen, via de overheid. Ten tweede bouwen de meeste werknemers via hun werkgever een ouderdomspensioen op. Daarnaast kunt u zelf voor aanvulling op uw pensioen zorgen.

AOW-pensioen via de overheid
De AOW vormt de basis van de oudedagsvoorziening. Iedereen die in Nederland woont of werkt, is verzekerd via de Algemene Ouderdomswet. De AOW wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De AOW is een vast bedrag, dat maandelijks wordt uitbetaald. De hoogte van het AOW-pensioen is gekoppeld aan het minimumloon. De bedragen variëren voor alleenstaanden, eenoudergezinnen en gehuwden/samenwonenden.

Als u tussen uw 15e en 65e jaar steeds verzekerd was voor de AOW, heeft u recht op een volledige AOW-uitkering. Voor elk jaar dat u niet verzekerd was, bijvoorbeeld door verblijf of werk in het buitenland, wordt twee procent op de AOW-uitkering gekort. Overigens is het sinds 1 januari 2001 mogelijk om AOW vrijwillig bij te verzekeren bij de SVB. Zou uw inkomen vanwege een onvolledige AOW-verzekering en een gebrek aan andere inkomensbronnen onder het bestaansminimum uitkomen, dan heeft u recht op Bijstand.

Wie betaalt de AOW?
De AOW wordt grotendeels gefinancierd volgens het zo geheten omslagstelsel. Dat betekent dat de generatie tot 65 betaalt voor degenen die 65 jaar en ouder zijn. Om te voorkomen dat de AOW vanwege de vergrijzing onbetaalbaar zou worden, is in 1996 een AOW-fonds opgericht. De overheid stort jaarlijks bijdragen in dit fonds. Op deze manier wordt gespaard voor de toekomstige lastenstijging van het basispensioen.

Een AOW-pensioen is een inkomen op minimumniveau. Gelukkig kunnen de meeste mensen voor hun oudedagsvoorziening tegenwoordig rekenen op inkomsten uit de tweede en/of de derde pijler.

Pensioen via de werkgever
In de tweede pijler wordt via de werkgever ouderdomspensioen opgebouwd. Dit geldt voor meer dan 90 procent van de werknemers. Het werknemerspensioen is onderdeel van het arbeidsvoorwaardenoverleg. De sociale partners (werkgevers en werknemers) maken hierover onderling afspraken.

Verplicht pensioen
Een groot aantal leden van de Vereniging van Bedrijfstak­pensioenfondsen heeft te maken met de verplichtstelling. Dat wil zeggen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - op verzoek van organisaties van werkgevers en werknemers - een bepaalde pensioenregeling verplicht stelt voor alle werkgevers in een bepaalde bedrijfstak. Dat geldt bijvoorbeeld voor grote bedrijfstakken als de bouw, de metaal en de gezondheidszorg. Maar ook voor kleinere sectoren zoals die van de bakkers, slagers en ook de landbouw. Zo wordt pensioenopbouw voor werknemers in deze sectoren gegarandeerd én wordt voorkomen dat pensioen een arbeidsvoorwaarde wordt, waarmee werkgevers elkaar kunnen beconcurreren.

Hoe wordt pensioen opgebouwd?
Een veel voorkomend uitgangspunt voor de pensioenopbouw is dat het AOW-pensioen en het bedrijfspensioen tezamen een inkomen geven op 65 jarige leeftijd van zo’n  70 % van het (laatst) verdiende salaris. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrijfspensioen wordt dus rekening gehouden met de AOW. Deze 70 % norm wordt echter slechts onder voorwaarden gerealiseerd, te weten:

  • 40 jaar pensioen hebben opgebouwd, bij een jaarlijkse opbouw van 1,75 % (40 x 1,75 = 70). Ook een opbouw van 35 jaar en een opbouwpercentage van 2 leidt tot 70%;
  • alle salariscomponenten tellen mee voor de opbouw van pensioen. Het komt regelmatig voor dat een 13e maand, een bonus of toeslagen niet mee tellen. Het pensioen zal dan niet 70% kunnen bedragen van het daadwerkelijk verdiende salaris;
  • het bedrag waarmee rekening wordt gehouden bij de opbouw, de zogenoemde franchise is gelijk aan het AOW-pensioen. Een werkgever zal voor al zijn medewerkers rekening houden dezelfde franchise, ook al is de AOW-uitkering voor een alleenstaande hoger dan voor iemand met een partnerrelatie (zowel een tweeverdiener als een kostwinner).

Het pensioenfonds
Een werkgever brengt een pensioenregeling onder bij een bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij. Deze staan onder toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer. Pensioenfondsen hebben geen winstdoelstelling voor aandeelhouders. Al het geld blijft binnen het fonds. Omdat pensioenfondsen geen winst maken, stelt de overheid hen verder vrij van vennootschapsbelasting.

Eigen aanvullingen op het pensioen
Het is mogelijk om zelf voor een aanvulling op het inkomen uit de eerste twee pijlers te zorgen. Dat kan zinvol zijn als u meent dat u na pensionering (tijdelijk) een tekort aan inkomen heeft. Of bijvoorbeeld wanneer u eerder wilt stoppen met werken. U kunt dat doen door geld te sparen, te beleggen of te verzekeren, bijvoorbeeld door middel van een lijfrenteverzekering. In het verleden was het fiscaal erg aantrekkelijk om lijfrentes aan te schaffen. Nu is belastingaftrek alleen nog mogelijk wanneer u kunt aantonen dat u een pensioentekort hebt.

Vaak wordt er van uitgegaan dat u na pensionering moet kunnen beschikken over 70 procent van uw laatstverdiende salaris. Dat is voor veel mensen niet haalbaar. Omdat ze enkele malen van werkgever zijn veranderd bijvoorbeeld, een tijdje niet gewerkt hebben of pas laat pensioen zijn gaan opbouwen. Ook is er een verschil tussen alleenstaanden en mensen met een partner. Doordat de AOW voor alleenstaanden hoger is dan voor mensen met een partner – het arbeidspensioen is gelijk -  is het totale pensioeninkomen voor alleenstaanden ook hoger. Daar staat tegenover dat een partner een eigen recht op AOW heeft en wellicht ook een pensioen heeft opgebouwd. Waar het om gaat, is of de inkomsten straks na pensionering voldoende zijn om alle gewenste uitgaven van te kunnen betalen. Aangezien de lasten er na pensionering ook vaak anders uitzien (de hypotheek is afgelost, de kinderen zijn uit huis), is 70 procent van het laatstverdiende loon niet altijd nodig. 
visit Drubbiebuu! Disclaimer